Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) is een wilde geneeskrachtige inheemse plant in Nederland en Europa en groeit in open, drogere graslanden en zanderige bodems.
Wilde solitaire bijen, waaronder grasbijen, metselbijen en zandbijen, zweefvliegen en vlinders zijn er dol op. Sint-Janskruid geeft geen nectar, alleen stuifmeel. Insecten komen dus specifiek voor het stuifmeel, niet voor nectar. Dat verklaart waarom vooral bijensoorten (die stuifmeel verzamelen voor hun larven) er zo op afkomen, terwijl het voor nectarzoekers minder interessant is.
Geneeskracht sinds de oudheid
Sint-Janskruid is een van de bekendste geneeskrachtige planten in Europa. Thee van dit kruid werkt kalmerend, helpt tegen slapeloosheid en depressies. Daarnaast helpt het goed tegen ontstekingen, darm-, maag-, long-, huid-, nierkwalen en hoofdpijn. Hippocrates, de Griekse grondlegger van de wetenschappelijke geneeskunde, gebruikte het kruid bij brandwonden en andere wonden.
De Grieken, Romeinen maar ook de Kelten gebruikten de plant in de 1e eeuw na Christus onder andere bij ischias en jicht, om gal en urine af te drijven, bij brand- en snijwonden, kneuzingen, huidproblemen, een zwakke blaas en bij hysterie en neurosen.
Depressie en zonnewende
In deze periode kreeg het kruid ook een magisch-religieuze lading naast de medische toepassing — het werd gebruikt tegen “melancholie” (wat we nu depressie zouden noemen) en om boze geesten te verdrijven, vaak opgehangen boven deuren rond de zomerzonnewende.
Vanaf de 20e eeuw verschoof de focus naar de antidepressieve werking. Diverse kleinere studies wijzen erop dat Sint-Janskruid bij lichte tot matige depressie effectiever is dan placebo en net zo effectief als tricyclische antidepressiva, al liet een studie bij zware depressie geen effect zien.
Sint-Jansviering
Sint-Jan, de zonnewende en het Sint-Janskruid zijn onlosmakelijk verbonden. 24 juni, dat vlak na de zonnewende valt, is het Sint-Jansfeest, dat in de voorchristelijke tijd op 21 juni werd gevierd.
In de 7e eeuw werden deze midzomerfeesten een christelijke feestdag, omdat de kerk de heidense festiviteiten koppelde aan de geboortedag van Johannes de Doper. Zijn geboorte was op 24 juni, precies zes maanden vóór de geboorte van Jezus met Kerstmis. Dit kozen de kerkvaders symbolisch omdat de Bijbel zegt dat Johannes kleiner moet worden en Jezus groter (Johannes 3:30). Vanaf Sint-Jan neemt de zon in kracht af, vanaf Kerstmis wordt de zon weer sterker. Een prachtige lichtsymboliek dus: de “voorloper” (Johannes) markeert het keerpunt naar afnemend licht, de “vervulling” (Jezus) het keerpunt naar toenemend licht.
De Sint-Jansvuren
Tijdens Sint-Jan ontstaken de Germanen en Vikingen al grote brandstapels om kwade geesten te verdrijven. In de middeleeuwen stak men op de avond vóór Sint-Jansdag overal grote vuren aan. Net als nieuwjaars- of paasvuren symboliseerden ze een overgang naar het nieuwe seizoen. Wanneer het vuur eenmaal brandde, begonnen de Johannesnachtdansen: hoe hoger het vuur, hoe beter de oogst zou uitvallen. De mensen zagen het vuur als symbool voor magische krachten. Het had een reinigende werking en kon boze geesten verjagen. Wie door de vlammen sprong, verjoeg ongeluk en ziekte.
Er zijn veel kruiden die als volksnaam Sint-Janskruid dragen, vaak omdat ze rond Sint-Jan bloeien of een heilzame, geneeskrachtige werking hebben. Op Sint-Jansnacht plukte men traditioneel Sint-Janskruid — het was een van de “geheimzinnige toovernachten”. De plant bloeit precies op haar hoogtepunt rond deze datum, wordt geassocieerd met zonlicht (goudgele bloemen), en de rode olie die vrijkomt bij het kneuzen werd gezien als bezegeling van die magische, beschermende krachten tegen onweer, heksen en kwaad.